Vrijdag 6 juli 2001: 1 | 2 | 3
Zaterdag 7 juli 2001: 4 | 5
Zondag 8 juli 2001: 6 | 7 | 8
Dan begint het spel. Nog steeds lachend doen we wat we moeten doen. Opdracht gaat goed. Geen probleem. Als alle dames daarna weer naar de vlaggenmast lopen om het volgende onderdeel te gaan doen, hervatten Germaine en ik onze ongekende lachkick. We proberen het uit te leggen aan de achtergebleven Sergeanten, maar die kunnen geen touw vastknopen aan de hortende en stotende woordenstroom die tussen de gierende lachsalvo's doorkomt. We geven het daarom maar op en vervoegen ons bij de rest. Hier zal ik mijn leven lang nog om kunnen lachen. Ook nu ik het opschrijf en me het gevoel van het moment herinner, lopen de tranen me weer over de wangen...
Opdracht drie; een groepsopdracht. Door middel van zes vaten en drie planken een brug bouwen en acht zandzakken en vier jerrycans water overbrengen. Brug afbreken, weer opbouwen en het hele zwikkie weer terug. We doen het niet slecht, maar de Sergeant is niet onder de indruk. We hadden het op de terugweg een stuk sneller kunnen doen. Ach ja... Het bericht bereikt ons dat één van de meiden haar sleutelbeen heeft gebroken tijdens het mountain-biken. Jeetje, wat naar! Daar ben je mooi zoet mee! Gatver...
Opdracht vier lijkt me leuk: zwemmen! We gaan aan boord van een van de landingsvaartuigen. Na een paar minuutjes varen gaat de klep open. In badpak en loopschoenen springen we in het zoute water, zwemmen de paar honderd meter naar de 'slip', rennen daar het land op, grijpen twee (lóód- en lóódzware!!!) zandzakken, lopen daar een stuk mee waarbij ik mijn kuiten gezandstraald voel worden, rennen weer terug naar het water, springen er weer in, zwemmen terug naar de boot en klaar. Het gaat op zich wel goed, maar ik merk gewoon dat de koek op is. Mijn armen bewegen nog wel in een borstcrawlachtige beweging, maar ik ben niet meer echt in staat om water te verzetten. En door de loopschoenen aan mijn voeten, met bijbehorend extreem drijfvermogen ben ik ook daarmee niet in staat mezelf voort te bewegen in de normale snelheid. De deining in het water die ontstaat door Moeder Natuur en door het op en neer varende rubberbootje doen er ook al geen goed aan. Maar afijn. Toch niet slecht. Ik ben best tevreden.
12.30 uur
Na een pittige discussie met drie Sergeanten over het verschil tussen mannen en vrouwen bij dit soort oefeningen ("vrouwen discussiëren overal over!") schuiven we weer dankbaar aan voor de lunch. Deze ochtend is niet overdreven zwaar geweest, dus de extra ontstane fysieke schade is tot een minimum beperkt gebleven. De moeheid is echter tot een wanstaltige hoogte gestegen. Na de lunch zal de briefing volgen voor de slotopdracht: de amfibische cross. Nog heel even volhouden...
De briefing krijgen we in een leslokaal. Ik ben nog net in staat om een plattegrond waar te nemen waar de amfibische cross op staat aangegeven. Ook vang ik nog flarden op van wat we moeten doen. Maar voor de rest ben ik vooral bezig om niet in slaap te vallen. Dat lukt niet. Tot drie keer toe word ik knikkebollend wakker. Dat blijft niet onopgemerkt. Sergeant-met-de-snor vraagt me of het nog gaat. Jawel hoor, maar ik moet weg uit dit warme hok. Ik ben misselijk van moeheid. Ik hoor door een nevel van slaap dat we de cross gaan uitvoeren met nieuwe groepen. Wat gemeen. Ik sleep me omhoog van mijn stoel en loop daas achter mijn groepsleden aan. Hermina is onze 'teamleader'. Verder maak ik kennis met bekende gezichten, van wie ik (naar nu blijkt) de namen niet heb op kunnen slaan. Wij zijn groep 4, da's het enige wat ik weet. En mijn lijf slaapt. Maar het mag nog niet. Ik waarschuw mijn team dat ik vrees de zwakke schakel te zullen zijn. Dat ze me waarschijnlijk flink zullen moeten steunen, maar dat ik mijn bloedende best zal doen om hen niet te laten vallen.
We spreken nog wat laatste tactieken door. Tegen de tijd dat de klok aangeeft dat we nog 10 seconden hebben voordat we als laatste mogen vertrekken, voel ik toch weer een nieuwe stroom adrenaline door mijn aderen voeren. Okay. Nog één keer dan. Het kan toch niet zo zijn dat ik die 3.500 meter niet kan afmaken. Hup Roefs... gáán. Ik laad me op.
De Amfibische Cross
14.06 uur: 10, 9, 8, 7, 6, 5, 4, 3, 2, 1 en GO! In looppas 200 meter naar de 'slip', met de rubberboot omgekeerd in onze handen. Boot in het water. Instappen en peddelen. Hermina geeft het tempo aan. Ik houd het roer in handen en na drie kapitale stuurfouten heb ik het door. We zijn op weg. We lijken in te lopen op de groep voor ons, maar dat komt omdat zij vast blijken te zitten. Wij even later ook. Uit de boot! Lopen! Dat wil zeggen, zwoegen! Iedere stap zakken we tot aan onze knieën of zelfs liezen weg in de verzadigde en vreselijk stinkende bodem. Ik voel mijn bergschoenen tot aan de rand vol lopen met drek. Boot op de kant, dijk op en rennen. Ik kijk achter me en zie twee dames wat achterblijven. Ik wacht op hen en moedig hen aan de cadans van de groep op te pikken. Dat is ook meteen mijn laatste fysiek sterke moment. Terwijl we de heuvel naar de vuurtoren op rennen, gaat het met mij bergafwaarts. Zomp, zomp, zomp, zomp. Ik hoor mijn loodzware, met waddensmurrie afgevulde bergschoenen klotsen op het grindpad. Mij overall hangt als een zwaar en nat stuk tentdoek onderaan mijn heupen en schuurt ritmisch door de huid tussen mijn benen. Ik hoor wederom het bijna vertrouwde geluid van mijn piepende longen. En ik rook niet eens! We komen groep 2 en 3 tegen. Een aantal van hen wandelt. Wij niet. We gaan nog steeds, ondanks mij. De laatste 300 meter komt Hermina met een wereldse oplossing voor mijn achterblijf-probleem. Ze trekt het touwtje van haar rugnummer los en roept over haar schouder: "Hier, grijp mijn touwtje!" En terwijl ik van binnen een lach voel opborrelen die het door ellende niet tot de oppervlakte haalt, realiseer ik me dat dit een geweldige actie is van haar. Hoe onnozel ook, ik ontleen een enorme stuwende kracht aan dat miezerige stukje stof. Ik ga zelfs wat harder lopen. Daar ligt de boot al! We zijn er.